zaterdag 8 september 2012

Column - Arsenaal

“Elk mens heeft z'n Achilleshiel. Het is je zwakke plek, je kwetsbare punt, het onderwerp waarmee men je in no time de gordijnen in kan jagen.”
Met deze woorden begint de column die ik op dag twee van onze vakantie, op de autoroute door Frankrijk, in de laptop tik.

De column, met de titel “Achilleshiel,” houdt u van mij te goed. Voor alles is een moment en nu is niet het juiste moment om deze column te publiceren.

Ik kan het wel met u hebben over gelijk hebben, gelijk krijgen en gelijk halen.
We, vriendin C en ik, hadden gelijk, maar kregen het niet.
Welk wapen pak je uit je arsenaal om je gelijk te halen, is de prangende vraag. Schiet je met een kalashnikov een hele familie in een BMW door het hoofd? Vuur je een salvo in een kantine van een school af? Ram je met een Suzuki door een juichende menigte om je vervolgens te pletter te rijden tegen een monument? Huur je een advocaat in om samen met haar de rechter te vermoeien met kleinzieligheden? Vraag je de sterke buurman om samen met hem verhaal te halen, met in het achterhoofd: “Wie niet horen wil moet maar voelen”?

Geweld is niet zo mijn ding en in de ‘colum-die-nu-niet-gepubliceerd-kan-worden’ beschrijf ik mijn Achilleshiel en verhouding tot ongeoorloofde machtsmiddelen.
Ik heb inmiddels mijn wapen gekozen: het is het woord en de vorm is de column. De pen is geslepen, de inktpot staat, bij wijze van spreke, open op tafel. Een column stelt zaken aan de orde die anders onderbelicht blijven; met kritische noten, sarcasme, met zelfspot, commentaar, met mooie woorden, ironie, fijngevoelige observaties en bovenal met een kwinkslag. Een column kan woede verpakken in alinea’s, verdriet in gave volzinnen en onrecht aankaarten zodat het raakt.

Het mooiste van dit alles is, en daar begint het grote genieten: de columnist heeft altijd gelijk.

Jeanet de Jong 

maandag 3 september 2012

Jeugdverhalen


Gerard Vloedgraven schreef zijn 'Jeugdverhalen van achter de tapijtfabriek' op en liet er een mooi boek van maken. Vloedgraven woonde 55 jaar in Deventer toen hij naar Ameland verhuisde. Op het eiland begon hij met het op papier zetten van zijn jeugdherinneringen. Alles wat hem te binnen schoot schreef hij op. De notities ontwikkelden tot een prachtig boekwerk met foto's uit de collectie van Vloedgraven.

Het boek is te verkrijgen bij de schrijver zelf.

  • Jeugdverhalen
  • Gerard Vloedgraven
  • Ameland Pers Uitgeverij

vrijdag 24 augustus 2012

Column - Zevenveertig

Zevenenveertig, telde ik op de strandovergang bij Dolly. Zevenenveertig drollen, hopen, flatsen en keutels op de paar meter waar dagelijks honderden mensen met kleine kinderen passeren om aangenaam op het strand te verpozen. Eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat het er zesenveertig waren, want de zevenenveertigste lag midden op het strand. Die kwam ik tegen op de paar meter van duinvoet naar waterkant. Een enorme hoop. Dat moet van een enorme hond zijn geweest.

Waar een paar dagen geleden nog twee Hollumers gezellig met de rug tegen het duin zaten, liggen nu twee verschillende hondendrollen. Waar gisteren een gezinnetje zat te picknicken, liggen inmiddels drie verzamelingen waar je niet bij in de buurt wilt zitten.

Het zijn droppings met puntjes, met ronde einden, met afgeknepen slotstukken, met uitstekende haren, met wormen, met onverteerde etensresten en met u wilt niet weten wat nog meer. Zwarte drollen, bruine hopen, rode plakkaten en gevlekte excrementen. Platte derrie, ronde kak, over een vierkante meter verspreidde drek en schijt zoals je nog nooit schijt hebt gezien.

Met het stijgen van zomerse temperaturen meuren de hopen je tegemoet.
Ze liggen op, voor, achter en tegen het pad te dampen, met als meest brutale stuk stront een drol die midden op de strandovergang in de bocht is gedraaid. En achtergelaten. Je zou toch zeggen dat bij elke hond een baasje hoort en dat die baasjes ook kinderen hebben of kinderen kennen waarbij ze er niet aan moeten denken dat die in de drollen grijpen, of stappen.

Ik ben niet de grootste hondenliefhebber en het is de ontlasting van de dieren die daar debet aan is. Niet zozeer de vlooien en teken die ze meebrengen in huis, of de stank wanneer ze in de regen hebben gelopen, of het kwijl of het geblaf of het gerij tegen het onderbeen van het bezoek. Ook niet het gekerm, het gekras tegen de deuren en de haren op de bank. Nee, het zijn de grote hoeveelheden stront die me tegenstaan.

Jeanet de Jong 

zaterdag 21 juli 2012

Ambachtelijke Dag Ballum

In 2011 vierde de Ambachtelijke Dag Ballum haar 25-jarig lustrum en dit jaar geeft de Commissie Ambachtelijke Dag Ballum samen met Ameland Pers uitgeverij een fotoboek uit over het evenement door de jaren heen.
Het boek is te koop in Slijterij Nobel in Ballum en op de Ambachtelijke Dag zelf.

In boekwinkeltje MorgensterAmeland staat nog een exemplaar te koop. Klik hier.
  • 25 jaar Ambachtelijke Dag Ballum, 1987 - 2011 een impressie in foto's
  • ISBN 978-90-79945-06-1
  • Ameland Pers Uitgeverij
  • Prijs € 20,--
  • 2012


donderdag 12 juli 2012

Column - Herman

Herman is niet meer. Hij was ons toevertrouwd en we hebben hem, weliswaar beschroomd, uit zijn kom laten glijden en weggespoeld.

Ze zijn meestal goed bedoeld, komen van mensen die je goed gezind zijn, uit de kring vrienden en familie of kennissen waarmee je meer dan een enkele groet hebt gewisseld: kettingbrieven. Een bloedhekel heb ik aan die dingen, want ze beloven rijkdom, een gelukkiger leven voor jou, voor orka’s in het algemeen en dove dolfinarium killer whales in het bijzonder en anders wel voor Tutsi kindjes die een of twee ledematen moeten missen wegens tribaal geweld. Er zit altijd wel iets bij waardoor je bij je hart gegrepen wordt. Het meest irritante aan kettingbrieven is dat ze ellende beloven als je de ketting doorbreekt. Voor het onheil dat over je uitgestort zal worden als je de brief niet in dertigvoud doorstuurt naar slachtoffers in jouw circuit, valt te vrezen.
Heel soms tuin ik er toch in en verstuur een schrijven naar 80 adressen uit mijn maillijst, om binnen een dag van een oplettende ontvanger een bericht te krijgen met een link naar een artikel op internet waarin gewaarschuwd wordt voor de malafide kettingbrief. Geen vijf euro storten om er binnen drie weken honderdduizend euro voor terug te ontvangen. Hoe was het ook weer? Als iets te mooi is om waar te zijn, dan is het ook vaak niet waar.

Lieve nicht J stuurt geen kettingbrief maar laat kettingdeeg bezorgen. Het bakje, met wat een begin is van een cakebeslag, heeft de naam Herman gekregen. Door omstandigheden arriveert het in onze keuken op de derde dag van wat een verzorgingscyclus van tien dagen moet worden.

Het idee komt uit Zweden, zo wil het begeleidend schrijven ons doen geloven en Herman is een vriendschapscake. Vriendschap is nooit weg, bedenken we en we stoppen onze weerstand tegen ketting-gedoe diep naar de achtergrond. We zetten Herman in een beslagkom op het aanrecht. Prutje Herman moet dagelijks geroerd worden en op dag vier heeft Herman honger, lezen we op het papier. We voegen volgens beschrijving melk, meel en suiker toe, in de verkeerde volgorde, zodat er beslag met klonten ontstaat. Of je Herman wel of juist niet met een mixer te lijf mag, staat niet op het briefje. Voorzichtigheidshalve laten we de mixer in het keukenkastje. Elke ochtend zien we met angst en beven de vorderingen van het deeg aan. Bevreesd dat er een heleboel werk aan het vertroetelen van Herman zit, durven we bijna niet op het briefje te kijken. Dag 5 tot en met 8 zijn echter een makkie. Herman hoeft alleen maar te worden omgeroerd. In die dagen begint het beslag te gisten en in de keuken hangt een zurige lucht. De temperatuur stijgt, we hebben onze eerste echt zomerse dagen, en Herman staat nog steeds op het aanrecht; de gistlucht wordt sterker en als we de theedoek optillen zien we op dag 9 een schuimende en bruisende massa. Het is de dag dat Herman weer honger heeft. Hij moet weer meel, melk en suiker en hij moet gevijfendeeld worden. Vier delen geef je weg en één deel hou je zelf om er vervolgens olie, suiker, meel, eieren, noten, chocola, appels en kaneel aan toe te voegen. 
Voordat het zover komt gooi ik de handdoek in de ring. De smurrie ziet er zo onsmakelijk uit, dat ik daar niet vier mensen uit mijn kringetje mee durf te verrassen. Herman verdwijnt in de gootsteen.
We blijven derhalve verstoten van vriendschapscake en al stond er geen straf genoemd in het begeleidende briefje voor onderbreking van de ketting, het zit me toch niet lekker.

Jeanet de Jong

vrijdag 8 juni 2012

Ameland InZicht 1

Ameland InZicht 1
Het eerste Ameland InZicht magazine verscheen in juni 2012. Jutter Piet Metz, een foto van Jantina Scheltema, prijkte op de voorkant. Het magazine werd op 8 juni 2012 in restaurant Boerenbont aan de Strandweg bij Nes gepresenteerd door Henk Huizinga en Gerard van Gulijk van SenG Media, de eerste uitgevers van het blad. Na een paar nummers verdween Van Gulijk uit beeld en nam Henk Huizinga de uitgave voor zijn rekening.
  • In het eerste nummer:
  • Strandjutten op Ameland
  • Culinair genieten in de beste restaurants
  • Op zoek naar ultiem comfort: wellness, rust en luxe
  • Mr. Hans Anker over Ameland en het eilandgevoel

  • Ameland InZicht 1
  • Juni 2012
  • € 3,95

woensdag 6 juni 2012

maandag 4 juni 2012

Pôllepraat 67

Pôllepraat 67
Magazine Pôllepraat is het orgaan van Stichting De Ouwe Pôlle Ameland. Het blad verschijnt drie keer per jaar. Op de voorpagina van dit nummer prijkt een foto van de onlangs gestopte volksdansgroep. Deze Pôllepraat is op A5 formaat.

Burgemeester Albert de Hoop schrijft het voorwoord. In dit nummer onder meer artikelen over Oestervisserij, Sailing Letters, over familie Van der Geest, Folkert en over Een krans van klaprozen. Ids Polet schrijft weer een stukje over de oorlogsjaren en er staat een bericht in over Printkes kie met Pieter Jan Borsch en Tineke Borsch. ook de vaste rubrieken Museumnieuws en Schenkingen staan in dit nummer.

  • Pôllepraat nummer 67
  • Uitgegeven door Stichting De Ouwe Pôlle
  • Juni 2012