![]() |
| Op de breuklijn van het ijs |
- Op de breuklijn van het ijs
- 12 dichters
- illustraties van Egbarta Veenhuizen
- Uitgegeven door Mauritsheech Publishers
- ISBN 9789082187373
- 2016
- € 12,50
Ameland uitgaven verzameld in één blog. Mis je een? Laat het weten, dan nemen we hem op. Met enige regelmaat plaatsen we een 'moaiste woa'd fan ut Amelands' en een column. Ga voor de oudere uitgaven naar 1971 in het archief en ga dan naar 'Oudere posts'. De oudste post is over een uitgave uit 1441. Het Blog wordt aangevuld met wat er maar aan bijzonders over het eiland te vertellen is, over verhalenavonden van Ameland Vertel! en over trekharmonica avonturen. Opgetekend door Jeanet de Jong.
![]() |
| Op de breuklijn van het ijs |
Naar het ziekenhuis. De rit ernaartoe ging met de reddingboot vanuit de Ballumerbocht naar Holwerd. Binnen het uur lag ik van de onderzoekstafel bij de huisarts op de spoedeisende hulp van het MCL. Met een alvleesklierontsteking. Drie weken lang was afdeling K kamer 12 mijn thuis.
In kamer 14, de kamer naast 12, lag S. Nou ja, liggen, ze trippelde meestentijds heen en weer. Een klein en pezig wijffie met een strot als een voetbalcoach aan de zijlijn. Het was een reminiscentie aan haar werkbare leven. S was zwemjuf geweest en had zowat heel Leeuwarden de schoolslag bijgebracht. In zo’n rumoerig bad moet je je stem wel gebruiken. S leefde nog half in die tijd, in ieder geval haar volume hing nog aan de zwembadrand.
Als ze op kamer was hoorde je haar boven alles uit. Niet alleen sprak ze hard, ook veel. Alle verhalen van al die jaren moesten eruit. Op de gang sprak ze tegen wie ze maar tegenkwam: patiënt, verpleegkundige, dokter of bezoek, S had altijd wel een woordje klaar.
Zieke mensen hebben vooral behoefte aan rust, dus S was vast heel lief, maar ook een stoorzender van jewelste. Ze kreeg dan ook een reprimande van de verplegers. Of het wat zachter kon. De gepensioneerde zweminstructrice vond met moeite haar volumeknop.
Een dag voor haar ontslag kwam buurvrouw S met haar blad met warm eten onze kamer binnen. “Mag ik hier wel even zitten?” vroeg ze, zonder ‘nee’ te verwachten. Overbuurman A, die net was binnengekomen en haar boeddhistische gebedsvolume nog niet had meegekregen, nodigde haar van harte uit. S zette zich aan onze tafel en hapte van haar aardappeltjes en sperziebonen. “Hiernaast kan ik niet eten, hoor. Ze hebben het alleen maar over stoma’s en ontlasting.” Natuurlijk mocht ze bij ons eten.
Jeanet de Jong
Naar het ziekenhuis. De rit ernaartoe ging met de reddingboot vanuit de Ballumerbocht naar Holwerd. Binnen het uur lag ik van de onderzoekstafel bij de huisarts op de spoedeisende hulp van het MCL. Met een alvleesklierontsteking. Drie weken lang was afdeling K kamer 12 mijn thuis.
Een ziekenhuisverblijf betekent een niet aflatende grensverlegging. Voorafgaand is niet te bevroeden wat je mee gaat maken en hoe je telkens je grens opschuift. Slapen met drie vreemden op kamer, infuusgeprik, inbrengen van een sonde, rolstoel, plassen op een po, klisma, insuline spuiten: het moet en we doen het zonder morren en we laten ons vol vertrouwen bepotelen door verpleegkundigen en dokters.
Emily Dickinson zei het zo fantastisch in haar gedicht ‘We never know how high we are’ en daar moet ik regelmatig aan denken. Het is het enige gedicht dat ik uit mijn hoofd ken en in moeilijke tijden komt dat boven. De eerste strofe:
‘We weten niet hoe groot we zijn,
tot men ons vraagt te staan;
En als het zo is voorbestemd,
Raakt ons formaat de hemel aan.’
Ik ben weinig bang geweest, maar tijdens de MRI scan werd de grens van paniek getart. U weet wel, zo’n smalle koker waar je in moet om verschillende foto’s van je binnenste te laten maken. Of ik muziek op mijn koptelefoon wilde, vroeg de verpleegkundige. Alsjeblieft niet! Ik wilde alleen maar horen wat het ding deed en haar commando’s. ‘Inademen, adem vasthouden en weer doorademen.’ Een kwartier lang schuif je ingesnoerd door het apparaat, dat op gezette tijden een niet te vatten lawaai maakt. Het lijkt op timmeren, zagen en boren tegelijk en het wachten is tot het zaagblad je vlees raakt. Dat blijft uit. De paniek hou ik met grote moeite onder controle. Ik wil nooit meer in de MRI. Maar als het moet ga ik natuurlijk toch.
Jeanet de Jong
Naar het ziekenhuis. De rit ernaartoe ging met de reddingboot vanuit de Ballumerbocht naar Holwerd. Binnen het uur lag ik van de onderzoekstafel bij de huisarts op de spoedeisende hulp van het MCL. Met een alvleesklierontsteking. Drie weken lang was afdeling K kamer 12 mijn thuis.
“Je hebt bruistabletten en droeftoeters,” vertelt mijn schoonzus enthousiast. Ze zit in het onderwijs en is naar een inspirerend onderwijscongres geweest. Van een bruistablet word je blij, die heeft energie. Een droeftoeter: “Daar stop je een idee in en dan komt er shit uit!”
Wie in het ziekenhuis terechtkomt heeft zijn kamergenoten niet voor het uitzoeken. Ik trof het met overbuurman R, buurvrouw B en buurvrouw W en met nog veel meer. Slechts een enkeling viel niet mee. Zoals buurman van Bed 3. Een naam weet ik niet, want hij ging voorbij aan de goede gewoonte van voorstellen. Hij, een volwassen man, slofte de kamer binnen en begroef zich in zijn oortelefoons. Telefoon op het nachtkastje. Hij werd herhaaldelijk gebeld en dan schalde zijn ringtone door de kamer.
Ik was die eerste week heel erg ziek en mijn zijn gleed tussen slapen, wakker worden, dommelen en weer slapen. Soms heel erg diep, zoals die middag dat Bed 3 weer werd gebeld en hij de telefoon nog steeds op atoomalarmvolume had staan. Ik ontwaakte met decompressieverschijnselen uit een trogdiepe slaap. “Zou je die telefoon zachter kunnen zetten? Je ligt er immers naast?” Het duurde even voor het uit mijn keel ontsnapte waar mijn hart 200 klopte. Niet veel later: “En, is het gelukt?” “Ja, hoor,” zei Bed 3 slap.
Ik weet het wel, hij was ook ziek, maar ziek zijn is geen vrijbrief voor hufterigheid. Het was gewoon een droeftoeter, die niemand van kamer 12 gedag zei toen hij naar huis mocht.
Jeanet de Jong
Naar het ziekenhuis. De rit ernaartoe ging met de reddingboot vanuit de Ballumerbocht naar Holwerd. Binnen het uur lag ik van de onderzoekstafel bij de huisarts op de spoedeisende hulp van het MCL. Met een alvleesklierontsteking. Drie weken lang was afdeling K kamer 12 mijn thuis.
Het is bijna Halloween en de vrouw van overbuurman R, die elke dag op bezoek komt, heeft een lading snoepgoed meegenomen. Voor de kleinkinderen. Regelmatig komen buurmans zoon, schoondochter en twee kleine meisjes langs om het ziekenhuisverblijf voor hun vader en opa te veraangenamen. Die avond voor Halloween krijgen de meisjes snoep, want dat hoort erbij. Buurman R ligt voor suikerziekte in het ziekenhuis. Hij was voor een routinecontrole naar de huisarts gegaan, voelde zich niet helemaal senang en wilde even wat zaken laten doormeten. Veel kon er toch niet aan de hand zijn. Bij de suikermeting schoot het wijzertje van de glucosemeter uit naar een niet meer te registreren hoeveelheid suiker in het bloed. R kwam op afdeling K kamer 12 terecht en moest leren omgaan met zijn diabetes: bloedprikken, controleren, insuline spuiten en adviezen van de diëtiste aanhoren. Hij kon gewoon blijven eten wat hij altijd at, had hij uit haar adviezen opgepikt. Alleen als hij een koekje wilde, dan moest het bij één blijven en moest hij het laten om, zoals hij gewoon was, het halve pak leeg te eten.
Die avond voor Halloween zat de familie op en rondom buurmans bed. De zakken zoetigheid gingen open en de meisjes plukten er gruwelijke oogbolsnoepjes uit en op bloed gelijkende snoepveters. Opa had al een halve donut achter de kiezen en snoepte heerlijk een oogbol mee. Het bed was gehuld in een wolk van zoete snoepgeur die zich over kamer 12 verspreidde.
Bij de eerstvolgende bloedsuikercontrole sloeg het glucosemetertje uit naar een waarde van 20 en dat is echt aan de hoge kant. R: “Verdikkeme, hoe kan dat nou?”
Jeanet de Jong
Naar het ziekenhuis. De rit ernaartoe ging met de reddingboot vanuit de Ballumerbocht naar Holwerd. Binnen het uur lag ik van de onderzoekstafel bij de huisarts op de spoedeisende hulp van het MCL. Met een alvleesklierontsteking. Drie weken lang was afdeling K kamer 12 mijn thuis.
“Help me! Help me dan toch! Kan iemand mij ook helpen!” In de kamer naast nummer 12 ligt een mannelijke patiënt onbedaarlijk te roepen. En dan: “Moordenaars! Moordenaars!”
Het is middenin de nacht en hij brult iedereen wakker.
Ik app tijdens mijn ziekenhuisverblijf veel met mijn vriendinnen. We hebben een app-groepje. Een van het clubje is verpleegkundige van huis uit en een ander is ervaringsdeskundige ziekenhuis. Aan het vriendinnencommentaar, al dan niet vanuit deskundigheid, heb ik veel. We gooien er tussen alle serieuze opmerkingen regelmatig een grap in. Soms een wrange. “Man, man, je zal zo’n roommatehebben,” app ik. “Ja,” zegt een van de dames, “zo ga je je eigen roommates weer waarderen. Slechts een beetje snurken.” Ik moet eerlijk zeggen, zelfs dat snurken van de drie mannen op ‘mijn’ kamer viel nog mee. Ik telde mijn zegeningen en was ondertussen benieuwd hoe de zusters dit varkentje gingen wassen. “Dat weet ik dan wel weer,” zegt de vriendin met verpleegkundige achtergrond. “Pillen er in en bij niet doorslikken bestaan er nog druppels of een spuitje.”
“En anders,” antwoord ik wrang, “naar de bovenste etage, het platte dak op, rug tegen de schoorsteen, voeten tegen het bed. Maar ik heb dan ook geen zustersdiploma.” Het antwoord: “Helder.”
De verpleegkundigen van afdeling K verstaan hun vak. De meneer is verhuisd naar een eenpersoonskamer en zijn dochter mocht bij hem slapen. Hij had pijn en was in de war. En hij mag zijn handen dichtknijpen dat ik er was als patiënt en niet als verzorgende.
Jeanet de Jong
Naar het ziekenhuis. De rit ernaartoe ging met de reddingboot vanuit de Ballumerbocht naar Holwerd. Binnen het uur lag ik van de onderzoekstafel bij de huisarts op de spoedeisende hulp van het MCL. Met een alvleesklierontsteking. Drie weken lang was afdeling K kamer 12 mijn thuis.
Slapen in het ziekenhuis is een dingetje. Er is meer licht dan thuis, er liggen nog drie patiënten bij je op kamer en er is getrippel op de gang. Soms zelfs hardlopen. Dan is er een alarm afgegaan waarna elke verpleegkundige zo snel als mogelijk naar de plek des onheils moet. Ik heb het verschillende keren meegemaakt: telkens bleek het loos alarm.
Elke verpleegkundige heeft zijn eigen stijl. Je hebt koude handen en warme handen, kordate stemmen en fluisteraars, zusters die je over de arm strelen en zij die de controles afwerken en weer verder gaan. De nachtzusters en broeders doen het ook allemaal op hun manier. Er was er een - ze werkt al 32 jaar in de verpleging en al die jaren in de nachtdienst - die een led-zaklamp bij zich had. Die zette ze in de zak van haar witte jas met het licht aan, waardoor er spookachtige beelden ontstonden. “Ze heeft een lichtmast van Cambuur bij zich,” sprak overbuurman R gevat, overigens vol lof over de toegewijde verpleegkundige.
Niet dat hij een Cambuur fan was. Waarom niet heb ik verzuimd te vragen, want hij kon best doorgaan voor fan van de club uit Leeuwarden. Hij sprak Luwwadders en was wat rommelig getatoeëerd. Ik zag hem wel op de tribune zitten. De eerste dag dat ik op kamer 12 lag stal die ruwe bolster mijn hart door het telefoontje met zijn vrouw af te sluiten met: “Ik hou van jou!” Een blanke pit met veel verhalen. We hebben heel wat afgepraat, samen.
Jeanet de Jong
Naar het ziekenhuis. De rit ernaartoe ging met de reddingboot vanuit de Ballumerbocht op Ameland naar Holwerd. Binnen het uur lag ik van de onderzoekstafel bij de huisarts op de spoedeisende hulp van het MCL. Met een alvleesklierontsteking. Drie weken lang was afdeling K kamer 12 mijn thuis.
Jeanet de Jong
December 2016 is nummer 1 van jaargang 1.